Spat en rugpijn
Trauma’s, blessures, slijtage en abnormale conformatie kunnen allemaal leiden tot degeneratieve veranderingen in de gewrichten van het paard die, op hun beurt, zich ontwikkelen tot osteoartritis (OA) van het betrokken gewricht.
Dit onstaat wanneer het kraakbaan weggesleten is of scheurt en het onderliggende bot bloot komt te liggen. Deze ontsteking van het gewricht of arthritis is een pijnlijk process op zich, maar leidt zelfs tot ergere veranderingen in het gewricht wanneer het lichaam begint te reageren en zichzelf probeert te herstellen, wat resulteert in een zelfvernietigende cyclus van aanmaak en heropname van nieuw bot.
Het eindresultaat is chronische pijn, kreupelheid en functieverlies. Spat is een OA van de onderste delen van het spronggewricht en is niet te verwarren met `bolspat`, wat verwijst naar een vloeibare zwelling van het bovenste spronggewricht. De grafische voorstelling (hieronder) toont aan hoe complex dit gewricht is, dat veel kleine botjes bevat, elk met een gewrichtsholte ertussen, samengehouden door kleine maar heel sterke ligamenten, beschermd door kraakbeen en gesmeerd door gewrichtsvocht.

Diagnose:
De vaak aangetaste delen van het spronggewricht zijn de onderste, het distaal intertarsaal gewricht en de tarsometatarsale gewrichten. Wat minder vaak voorkomt, is dat het proximaal intertarsaal gewricht ook aangetast wordt, in welk geval de prognose slechter wordt.
Paarden van alle types en leeftijden kunnen aangetast worden. De eerste tekenen zijn kreupelheid bij de draf of, meer subtiel, onwil om op de linker- of de rechterhand te galopperen wat verbetert door op te warmen. De hoefsmid kan dit probleem identificeren omdat het paard het aangetaste been niet wil optillen of buigen. Soms wordt een harde zwelling zichtbaar aan de voorste binnenkant van het onderste spronggewricht, die niet voorkomt op het andere been.
Niettemin krijgen paarden vaak spat in beide spronggewrichten tegelijk, dus kan een verschil in vorm van de twee spronggewrichten niet onmiddellijk duidelijk zijn.
Rugpijn is vaak een secundair probleem van spat omdat de lichte maar chronische kreupelheid die in beginstadia gezien wordt, ervoor zorgt dat het paard zijn gang verandert en zijn bekken- en rugspieren asymmetrisch belast. Het komt vrij vaak voor dat een fysiotherapeut in dit stadium ingeschakeld wordt wanneer de kreupelheid nog niet zo duidelijk is voor het onervaren oog. Secundaire rugpijn te wijten aan kreupelheid reageert goed op de initiële fysiotherapeutische behandeling, maar symptomen (i.e. hoge spierspanning en spierspasme in de rug) zullen vrij snel opnieuw verschijnen (i.e. binnen een kwestie van dagen). Het is belangrijk dat de fysiotherapeut dit patroon herkent en het paard zo snel mogelijk terug doorverwijst naar de veterinaire chirurg. Een fysiotherapeutische behandeling kan doeltreffend zijn in het verminderen van rugpijn die secundair is aan spat, maar enkel wanneer de initiële oorzaak (OA : osteoartritis) eerst behandelt wordt.
De dierenarts zal een serie van diagnostische tests beginnen, inclusief het paard aan de hand laten draven op een hard, vlak oppervlak, longeren aan beide teugels en een buigtest van de achterste ledematen. Wanneer de kreupelheid teruggebracht wordt tot een specifiek been, wat niet altijd duidelijk is, vooral wanneer twee of meer benen kreupel zijn, wordt geleidingsanesthesie (i.e. plaatselijke verdoving van de gevoelszenuwen tijdens het kreupelheidsonderzoek) uitgevoerd, om te bewijzen dat de onderste spronggewrichten de oorzaak zijn van de pijn die leidt tot kreupelheid en secundaire rugpijn. Soms kunnen geleidingsanesthesie en röntgenfoto’s het bestaan van OA in de verdachte gewrichten niet genoeg bewijzen, in welk geval scintigrafie gebruikt kan worden om bijkomend bewijs te leveren.
Wanneer spat gediagnosticeerd en op een specifiek gewricht vastgepind is, wordt een reeks behandelingsopties mogelijk.
English
Nederlands